Omstreden belastingregel speelt Feyenoord parten: ‘Nederlands voetbal daardoor minder aantrekkelijk’
Feyenoord heeft eerder geprobeerd de belastingheffing op spelersvergoedingen bij transfers juridisch aan te vechten, maar boekte daar uiteindelijk geen blijvend succes mee. In 2017 leek de Rotterdamse club aanvankelijk een overwinning te boeken in een rechtszaak over de transfer van Graziano Pellè. In hoger beroep werd die uitspraak echter teruggedraaid. Hierdoor blijft de zogenoemde Bos-taks een financiële last voor Nederlandse topclubs.
De belastingmaatregel werd oorspronkelijk in het leven geroepen om hoge vertrekvergoedingen voor bestuurders en topfunctionarissen aan banden te leggen. Binnen het profvoetbal heeft de regeling echter een andere uitwerking, zo schrijft Tom Knipping van Voetbal International in een artikel waarin de fiscale gevolgen van spelerstransfers worden belicht. De heffing staat in de volksmond bekend als de Bos-taks, vernoemd naar toenmalig minister van Financiën Wouter Bos, die bekendstaat als een Feyenoord-supporter.
Afspraken over toekomstige transferbedragen
Clubs maken regelmatig afspraken met spelers over een percentage van de toekomstige transfersom dat zij bij een vertrek ontvangen. Meestal gaat het om een aandeel van tien tot vijftien procent. Bij een vertrek in 2026 kan de extra werkgeversheffing gelden als het toetsloon hoger is dan 700.000 euro. Dat is doorgaans het fiscale loon van twee kalenderjaren vóór het vertrek. Over het excessieve deel betaalt de club 75 procent extra belasting. Niet alleen het transferaandeel, maar ook salarisverhogingen en bonussen kunnen daarbij meetellen. Een concreet rekenvoorbeeld verderop in dit artikel laat zien hoeveel geld dit Feyenoord kan kosten.
Feyenoord ondervond de gevolgen van deze regeling bij de verkoop van Graziano Pellè aan Southampton. De spits kreeg bij zijn vertrek 929.000 euro uitgekeerd. De Belastingdienst legde de club vervolgens een extra belastingaanslag van 205.000 euro op. Feyenoord besloot deze beslissing aan te vechten en boekte in 2017 aanvankelijk succes bij de rechtbank. Volgens de rechter was de regeling niet bedoeld voor lucratieve voetbaltransfers en werd er onvoldoende rekening gehouden met de specifieke financiële structuur van profclubs. In hoger beroep kwam het gerechtshof echter tot een andere conclusie. Voetbalclubs konden volgens het hof geen aanspraak maken op een uitzonderingspositie.
Bos-taks bij een transfer van 30 miljoen euro
Hoe zwaar de heffing kan wegen, laat een fictief voorbeeld zien. Een speler komt in de zomer van 2023 naar Feyenoord en verdient tijdens zijn eerste twee seizoenen jaarlijks 800.000 euro bruto. Bij aanvang van het derde seizoen wordt zijn contract opengebroken. Zijn jaarsalaris stijgt naar twee miljoen euro. Daarnaast ontvangt hij 300.000 euro tekengeld en krijgt hij recht op tien procent van een toekomstige transfersom.
Aan het einde van dat seizoen ontvangt de speler een bonus van 300.000 euro voor plaatsing voor de Champions League. Vervolgens verkoopt Feyenoord hem voor 30 miljoen euro. Hij vertrekt op 30 juni 2026 en ontvangt datzelfde jaar zijn transferaandeel van drie miljoen euro. In dit voorbeeld zijn alle bedragen bruto en laten we andere loonbestanddelen buiten beschouwing.
Omdat de speler in 2026 vertrekt, neemt de Belastingdienst zijn loon uit 2024 als uitgangspunt. Dat toetsloon bedraagt 800.000 euro en ligt dus boven de grens van 700.000 euro. De salarisverhoging in de zomer van 2025 verhoogt dat oude toetsloon niet. Een verbeterd contract zodra de buitenlandse belangstelling toeneemt, vermindert de Bos-taks bij een vertrek kort daarna dus niet.
Vervolgens telt de fiscus de extra beloningen in 2025 en 2026 ten opzichte van het oude salaris bij elkaar op. De speler heeft gedurende zijn laatste seizoen 1,2 miljoen euro extra salaris ontvangen. Samen met het tekengeld, de Champions League-bonus en het transferaandeel ontstaat deze berekening:
| Salarisverhoging tijdens het laatste seizoen | € 1.200.000 |
| Tekengeld | € 300.000 |
| Bonus Champions League | € 300.000 |
| Aandeel in de transfersom | € 3.000.000 |
| Totaal extra beloningen | € 4.800.000 |
| Af: toetsloon | € 800.000 |
| Grondslag voor de Bos-taks | € 4.000.000 |
| Extra werkgeversheffing van 75 procent | € 3.000.000 |
Van de transfersom gaat daardoor drie miljoen euro naar de speler en nog eens drie miljoen naar de Belastingdienst. Na alleen deze twee posten houdt Feyenoord van de 30 miljoen euro nog 24 miljoen euro over. Solidariteitsbijdrage, andere transferkosten en de eventuele resterende boekwaarde van de speler zijn daarin nog niet verwerkt.
Het voorbeeld laat zien dat niet alleen het transferaandeel de belastingrekening bepaalt. Ook de salarisverhoging, het tekengeld en de sportieve bonus werken daarin door. Was het volledige toetsloon in 2024 maximaal 700.000 euro geweest, dan was bij dit vertrek in 2026 helemaal geen Bos-taks verschuldigd.
Concurrentie heeft met hetzelfde te maken
Ook andere Nederlandse topclubs krijgen met deze kwestie te maken. Ajax vocht een vergelijkbare aanslag aan naar aanleiding van de transfer van Jurriën Timber naar Arsenal, maar werd afgelopen zomer door de rechtbank in het ongelijk gesteld. De Amsterdamse club heeft besloten de juridische procedure voort te zetten. PSV heeft op zijn beurt in het verleden al miljoenen euro's aan extra belasting moeten afdragen. Ook voor Feyenoord blijft de regeling een belangrijk aandachtspunt, aangezien transferopbrengsten essentieel zijn voor het behouden van spelers en het aantrekken van nieuwe versterkingen.
De Nederlandse topclubs zijn van mening dat de huidige belastingregels hun concurrentiepositie ten opzichte van buitenlandse clubs verzwakken. PSV-directeur Marcel Brands benadrukt onder meer dat Belgische clubs op fiscaal gebied gunstiger worden behandeld. Zo zouden zij meer mogelijkheden hebben om investeringen in jeugdopleidingen fiscaal te verrekenen en spelers van buiten de Europese Unie aan te trekken.
Volgens Brands maakt de combinatie van verschillende ongunstige regelingen het Nederlandse voetbal minder aantrekkelijk. Ook de beperking van de 30%-regeling speelt daarbij een rol, omdat Nederlandse clubs hierdoor buitenlandse spelers minder aantrekkelijke nettosalarissen kunnen aanbieden. Voor Feyenoord betekent dit dat bij bepaalde transfers rekening moet worden gehouden met aanzienlijke extra belastingkosten, terwijl buitenlandse concurrenten met andere fiscale voordelen te maken hebben.