Waarom een club in oktober moeilijker te beoordelen is dan in april
Een Nederlandse club die in Europa actief is, speelt in oktober en november om de drie of vier dagen. Zaterdag AZ in de Kuip, woensdag Como in de Champions League, de zaterdag daarna uit bij Telstar. Dat levert avonden op waar je het hele seizoen naar uitkijkt, maar het levert ook een probleem op waar supporters elk jaar opnieuw tegenaan lopen: je wordt gedwongen vaker een oordeel te vellen dan er echte informatie bijkomt.
Na een uitschakeling is de selectie te dun en de trainer de verkeerde. Na een overwinning in een uitverkochte Kuip zit er ineens veel meer in het vat. Allebei binnen een week, over precies dezelfde ploeg.
De vraag is dus niet of je een mening hebt, maar waarop je die baseert. En daarvoor heb je drie dingen nodig die je eerst los van elkaar moet bekijken en daarna bij elkaar moet leggen: wat één wedstrijd eigenlijk bewijst, waar je bewijs vandaan haalt en hoeveel de omstandigheden van die avond meewogen.
Wat één wedstrijd wel en niet bewijst
Begin bij het bewijsmateriaal zelf, want daar gaat het meestal al mis. Een enkele wedstrijd wordt voor een groot deel bepaald door dingen die zich niet herhalen: een bal die van een scheenbeen in de verkeerde hoek stuitert, een keeper die één avond alles pakt, een vlag die niet omhooggaat. Een ploeg kan tachtig minuten de betere zijn en met 2-0 verliezen omdat de tegenstander twee keer raak schoot.
Wat zich wél herhaalt, is het karakter van een elftal, en dat zit in heel andere dingen. Hoe een team reageert op een vroege tegengoal. Of het in de slotfase durft op te schuiven of juist terugzakt naar de eigen zestien. Wat er gebeurt als de beste speler niet in vorm is. Die patronen staan maanden overeind en veranderen langzaam: door een nieuwe trainer, door een andere keuze in de spits, door een paar transfers die de hiërarchie in de kleedkamer verschuiven.
Daaruit volgt een vuistregel die bijna altijd klopt. Eén wedstrijd zegt vrijwel niets, drie wedstrijden zeggen iets, tien wedstrijden zeggen behoorlijk veel. In Europa schuift die grens nog verder op, omdat je een tegenstander treft die je hooguit twee keer per jaar ziet en die op een manier speelt die in de Eredivisie nauwelijks voorkomt. Juist de avonden waar het hardst over wordt gepraat, zijn dus de avonden waaruit het minst te concluderen valt. Dat is ook de reden dat dezelfde ploeg in april makkelijker te beoordelen is dan in oktober: dan is het oordeel op dertig wedstrijden gebaseerd in plaats van op acht.
Waar het bewijs vandaan komt: de tribune en de cijfers
Als één uitslag niet genoeg is, heb je iets nodig dat langer meegaat. Daarvoor zijn er twee bronnen, en de meeste discussies over Feyenoord gaan eigenlijk over de vraag welke van de twee je vertrouwt.
De eerste is het geheugen van de tribune. Wie vijftien jaar op dezelfde plek staat, voelt binnen een kwartier of het klopt. Dat is geen bijgeloof. Je ziet of de aanvallers hun loopacties blijven herhalen terwijl ze de bal al vier keer niet hebben gekregen, en of de verdediging onderling communiceert. Daar laat een samenvatting van acht minuten niets van zien, en een rijtje cijfers al helemaal niet.
De tweede is het geheugen van de data, en dat onthoudt precies wat de tribune vergeet. Dat de reeks van vijf overwinningen rustte op een keeper die ver boven zijn niveau presteerde. Dat de ploeg die volgens iedereen ondermaats speelde, over tien wedstrijden gemeten meer en betere kansen creëerde dan haar tegenstanders. Hoe zwaar een club daar zelf aan tilt, verschilt per directiekamer. De analyse over hoe Moneyball terugkeert bij Feyenoord laat zien hoe ver zo’n model doorwerkt in het spelersbeleid.
Geen van de twee is compleet, en precies daarom moet je ze naast elkaar leggen in plaats van voor één van de twee te kiezen. Wijzen ze dezelfde kant op, dan heb je iets te pakken. Wijzen ze verschillende kanten op, dan is dat geen reden om er één weg te gooien, maar een signaal dat je nog niet goed genoeg hebt gekeken.
Niet elke wedstrijd weegt even zwaar
Zelfs met tien wedstrijden en twee soorten bewijs ben je er nog niet, want niet elke wedstrijd is even zwaar. Bij voor de hand liggende zaken als blessures en schorsingen weet iedereen dat, maar de omstandigheid die het vaakst wordt onderschat, is het thuisvoordeel. Niet of het bestaat, maar hoeveel het bij welke club uitmaakt. Wie twee uitslagen naast elkaar legt zonder dat verschil mee te rekenen, vergelijkt eigenlijk twee verschillende wedstrijden.
Dat verschilt per club en per stadion, en het verschilt meer dan de meeste mensen denken. Een compacte bak met een steil vak pal achter het doel legt een andere druk op een scheidsrechter dan een ruim opgezet stadion met veel lucht rond het veld, of dan datzelfde stadion op een dinsdagavond. Daarbij komt iets wat vrijwel nooit wordt meegerekend: de afmetingen van het speelveld schelen in Nederland meters, en een ploeg die het veld graag breed maakt, heeft in het ene stadion domweg meer ruimte dan in het andere.
Dat het publiek niet alles verklaart, bleek in de periode zonder toeschouwers: de cijfers uit die maanden lieten een daling van het aantal thuiszeges zien, maar een veel kleinere dan verwacht. Het publiek is dus niet de hele verklaring; de structuur van een ploeg weegt net zo zwaar mee. Een club die thuis zestig procent van haar punten pakt, doet dat zelden per ongeluk, en er zijn ploegen die het verschil tussen thuis en uit nauwelijks merken omdat hun manier van spelen weinig van het publiek afhangt.
Hoe je die drie dingen bij elkaar legt
Alles bij elkaar levert dat een manier van kijken op die een stuk rustiger is dan de maandagochtend meestal toelaat. Kijk naar een reeks in plaats van naar de laatste wedstrijd. Scheid de prestatie van het resultaat, zeker bij ploegen die veel kansen creëren maar ze slecht benutten. Houd rekening met het programma, want een club die donderdagavond in Europa speelde en zondag om half drie moet aantreden, is niet dezelfde club als twee weken eerder. En behandel thuisvoordeel als een eigenschap van één specifieke club in één specifiek stadion, niet als een bonus die voor iedereen gelijk is.
Wie zich bezighoudt met weddenschappen op Nederlandse clubs, komt precies dezelfde drie problemen tegen, alleen met geld eraan vast. Dat de een het voor de aardigheid doet en de ander met een inzet, verandert niets aan de denkfout die beiden het makkelijkst maken, namelijk de laatste wedstrijd zwaarder laten wegen dan de tien ervoor.
Over drie dagen staat er weer een wedstrijd op het programma, en dan begint het opnieuw. Het enige wat dan helpt, is onthouden dat de ploeg die het veld opkomt dezelfde ploeg is als vorige week. Alleen de uitslag is nieuw.